Categoriearchief: Verhalen

De (O)verhaal

Uit een familie album kwam een kopie van een smoezelige foto van de familie voor de bakkerij aan de Amsteldijk. En later via zijn vader en een oud oud tante uit Amerika, werd een foto van de familie doorgemaild, die voor hun huis op de Weesperzijde poseerden. Het was nooit bekend geweest dat rond 1900, door het grote kindertal de gezinsleden aan beide kanten van de Amstel woonden.

Huizen van opa De Leeuw

Uit een familie album kwam een kopie van een smoezelige foto van de familie voor de bakkerij aan de Amsteldijk. En later via zijn vader en een oud oud tante uit Amerika, werd een foto van de familie doorgemaild, die voor hun huis op de Weesperzijde poseerden. Het was nooit bekend geweest dat rond 1900, door het grote kindertal de gezinsleden aan beide kanten van de Amstel woonde.

En er kwam meer. Die tante had ook verhalen uit die tijd, over de Amstel en Weesperzijde. In Californië in La Selva Beach opgetekend door een oud oud oom. De titel luidt : De OVERHAAL.

Laten we beginnen met de vertelling van die oom, dan wordt duidelijk wat een overhaal is. De oorspronkelijke tekst is zoveel mogelijk aangehouden.

Gebruikmaken van een overhaal was tot de eerste helft van vorige eeuw een gewone gang van zaken. De verteller heeft bijna vijftig jaar aan de oever van zijn geliefde Amstel gewoond. Zijn vader had er een bakkerij, die toen al meer dan 200 jaar oud was, in 1844 gekocht. Met enig recht stelt hij dat de Amstel met de familie verbonden is.

In het midden van de 19de eeuw was er in de buurt van de bakkerij een overhaal, die naast zijn roeien ook thee en koffie verkocht en waarvan de zoon notaris was. Bij het steigertje waar hij zijn bootje aanlegde stond een bord. ‘’Hier zet men thee, kofiie en over. En mijn zoon is notaris.’’

De oud oom had bewondering voor dat zakelijke instinct.

Een overhaal was vaak een boerenknecht die voor een paar centen iemand naar de andere kant van de rivier roeide.

De enige brug die er toen lag was de Hooge Sluis, de Nieuwe Amstelbrug werd pas begin 1900 afgebouwd. Iedereen, die in de voormalige gemeente Nieuwer Amstel, over de Amstel wilde, moest gebruik maken van de overhaal of moest de moeite nemen om helemaal langs het Paleis van Volksvlijt om te lopen.

Dokter Roelof Hart woonde in een herenhuis op de Amsteldijk en had twee paarden die om de beurt voor het koetsje liepen. De namen weet mijn oom zich te herinneren: Robert en Bertram. Het grasland waar zij liepen lag aan de Weesperzijde, waar nu de Grensstraat is. Als de dokter over de Amsteldijk reed met Robert stond Bertram aan de overkant te hinneken en ook omgekeerd was dat ook het geval.

Van werken is nog nooit iemand minder geworden, dacht de grootmoeder van een houthandelaar aan de Weesperzijde. In haar jonge jaren had zij een overhaal. Als het bootje van Schiedam zijn jenever bij de uitspanning ‘ de Berebeyt ‘ moest afleveren, dan werden deze vaatjes van de boot af in de Amstel gerold en moesten ze door de overhaal aan wal worden gesjouwd.

De eigenaress van de Berebeyt was weduwe Lapère, deze had als kleinzoon Willem Kok en die vertelde mijn oom, dat de overhaal bij het Hoedemaakerspad (nu Ostadestraat) een zekere Hannes Klinkenberg was. Beslist niet één van de vriendelijkste heren. Toen die Willem een keer als jongen aan de Weesperzijde ‘OVER ‘ stond te schreeeuwen lag Hannes net in een handwagen een dutje te doen. De rooie kop van Hannes kwam even omhoog en riep ‘leg je cente maar neer en loop maar om’.

Willem Kok had als beroep timmerman gekozen en vrijde met de keukenprinses van dokter Hart. Hij kwam haar veel opzoeken met gevolg dat wanneer de dokter kip op tafel had, Willem ook lekker kip zat te eten.

Trouwens in de bakkerij en het woonhuis dat de oorsponkelijke kleine houten bakkerswoning in de polder verving, is nu de Lotusgarage gevestigd. (HS)

Bij de familie om de hoek woonde de oude baas van de Berg. Zijn overhaal was bij de Ruiterstraat (nu Lutmastraat) en verderop in de Kuiperstraat woonde Rooie Hein, de achternaam weet de schrijver niet meer.

Iedere morgen om een uur of zeven, half acht kon je hem met zijn roeispanen op zijn nek voorbij de bakkerij zien gaan om zijn dagelijks werk uit te oefenen. Hein had de eigenaardigheid, als hij een paar klanten had gehad, dat hij even een borreltje bij van der Ende op de hoek van de Tolstraat en Amsteldijk moest kopen. In de wintertijd was dit geen overbodige weelde, want met de scherpe oostenwind kon het over de oever en langs de Amstel bitter koud zijn.

De overhaal bootjes waren niet altijd zonder gevaar, er was een oploop met leuningen waar je met je fiets op kon staan en omdat deze oploop hoger lag dan het bootje kon men zo van de wal het bootje inlopen.

Geloof het of niet, de bootjes kenden ook spitsuren. Er woonde veel personeel van diamantslijperij Asscher aan de Weesperzijde kant van de Amstel. In 1918 kwam er een slechte dag voor Hein en als hij het geweten had dan was hij beslist niet gaan werken. Hein vertrok juist met zijn schuit van de Weesperzijde, toen er nog een passagier kwam aanrennen en op de loopplank sprong. Het bootje kasseisde en iedereen lag in het water. Gelukkig liep het goed af, behalve voor Hein die had te veel water binnengekregen. Na hem bij kennis gebracht te hebben, werd hij op het biljart in Café  ‘ Zum Grunenthal ‘ gelegd, totdat een ambulance hem oppikte.

Zum Grunenthal had een grote tuin met priëeltjes en was zeer geliefd bij  vrijende paartjes. De kelner die daar werkte wist het en hij schoffelde eerst met zijn schoenen over het grind, wanneer hij een bestelling moest brengen om de vrijage niet onverwachts te verstoren.

Hein heeft dit ongeluk gelukkig goed overleefd. Naast zijn werk als overhaal had hij nog ander werk. Als de riolering van de bakkerij verstopt was (die liep in die tijd uit in de Amstel) zeiden ze: ‘ ga Hein es halen ’. Als de oom bij Hein kwam, vertelde hij dat er getrokken moest worden. Eén van de’ bedienden werd naar Houthandel Harff gestuurd en die kwam terug met veel latten, die aan elkaar werden gespijkerd. De latten met aan het einde een lege zak en touw verdwenen in de rioleringspijp. Dan kwam het sein ‘ halen ‘ en Hein zette het op een roeien. Zo werd de riolering van de bakkerij jaren achtereen schoongemaakt totdat er in de weg een riool werd aangelegd.

Hein liet het overhaalwerk graag in de steek, als de bakkerszoon hem kwam roepen. Zijn klanten liepen wel door naar de volgende overhaal bij de Ruiterstraat, want de bakker gaf Hein in guldens 1.25 of 1.50.

Toen Hein te oud werd voor zijn werk verhuisde hij naar een bejaarden tehuis in Naarden. Maar aangezien hij zijn borreltje niet meer kreeg ging hij voor korte tijd in hongerstaking en overleed een tijdje later.

Meer naar de Schollenbrug was ook nog een overhaal, zijn naam was Overwater. Die zette een motor in zijn boot. De Berlagebrug bestond niet en hij had veel klanten uit Amsterdam Oost die bij de tram werkte.

Rijk worden met het werk was er niet bij. Als het ijs de Amstel bedekte, (dat toen blijkbaar elk jaar voorkwam, HS) trachtte de overhaal door een vaargeul open te hakken zijn diensten gaande te houden. Lukte dat niet meer dan legde hij een loopplank uit voor de schaatsliefhebbers en zette een bank neer waar je je schaatsen kon onderbinden of het tegen betaling van een paar stuivers door hem kon laten doen. Verder zorgde hij dat de ijsbaan geveegd werd.

De meeste boeren aan de overkant van de Amstel (Oude Kerkerdijk) hadden hun eigen roeiboot en als je bij hen moest zijn riep je maar ‘Over!’

De bakkerszoon, uit een groot gezin, moest iedere morgen om 7 uur naar de gasfabriek in Oost gaan om naast de particuliere klanten de kolenboten of beter gezegd de gezinnen van de kolenleveranciers van brood te voorzien. Op een zaterdagavond stond hij op de veerpont te wachten en daar kwam de directeur van de gasfabriek. Die kon natuurlijk niet een half uurtje wachten en blies twee keer op een fluitje dat hij altijd bij zich droeg. De kapitein op de pont liet een paar keer de stoomfluit loeien, de plank werd opgehaald en vertrok. Toen de jongen weer een keer op een zaterdagavond op de pont stond te wachten, haalde een fluitje uit zijn zak en blies er op. Hoewel het nog geen tijd was kwam de kapitein onmiddellijk. “je had het gezicht van de kapitein moeten zien.’’

Hij heeft nooit geweten wie hem die poets heeft gebakken.

Bijna niemand is op de hoogte dat de Amstel een echo had. De vlakke gevel van de voormalige Beiersche Bierbrouwerij was net een grote sobere steenklomp. Riep je vanaf de Amsteldijk ‘ Wilhelm ‘ dan kaatste het geluid terug.